‘Ik moet op reis eekhoorn’, zei de mier op een ochtend. Zij zaten op de tak voor de deur van de eekhoorn. De eekhoorn was nog maar net wakker en geeuwde nog. ‘En je moet niet vragen of het echt moet’, zei de mier, ‘want het moet’. ‘Maar dat vraag ik helemaal niet’, zei de eekhoorn. ‘Nee, maar je stond wel op het punt om het te vragen, wees maar eerlijk.’ De eekhoorn zweeg; ‘Het minste dat we kunnen doen’, zei de mier, ‘is op een kalme manier afscheid nemen. ‘Ja’, zei de eekhoorn. ‘Dus niet dat gejammer en tranen en wat zal ik je missen en kom gauw terug en zo – daar heb ik toch zo’n hekel aan, eekhoorn, als je dat eens wist …’ De eekhoorn knikte. ‘Als jij nou in de deuropening gaat staan…’ zei de mier. De eekhoorn ging in de deuropening staan. De mier gaf hem een hand en zei: ‘Nou, eekhoorn, tot ziens dan.’ ‘Dag mier,’ zei de eekhoorn. ‘Goede reis’. Maar de mier was niet tevreden over het afscheid en bleef staan. ‘Die brok in je keel, eekhoorn’, zei hij, ‘ die hoorde ik wel!’ Ze probeerden het opnieuw en nu zei de mier dat hij een traan zag blinken in het oog van de eekhoorn en vond hij ‘Goede reis’ niet goed. ‘Je vindt het erg, eekhoorn, je vindt het heel erg, ik zie het wel!’ De eekhoorn zweeg. ‘Doe toch kalm!’ riep de mier. Ze probeerden het nog een keer met ‘Beste reis’, en een keer zonder woorden, zonder elkaar aan te kijken. De eekhoorn deed het zo kalm als hij nog nooit had gedaan. Maar de mier vond het niet goed. ‘Zo kan ik niet op reis gaan,’ zei hij verongelijkt. ‘Terwijl het in feite moet. Echt moet!’ ‘Ja’, zei de eekhoorn. Daarna zwegen zij en zaten in het licht van de opkomende zon op de tak voor de deur van de eekhoorn. Het bos rook naar dennenhout en in de verte zong de lijster.
Toon Tellegen
Soms droom ik over wonen in het buitenland. Soms over verre reizen. En dat het moet, echt moet. Dan denk ik dat het niet kan, dat ik dat niet kan. Maar de nood aan mijn gezicht wat meer in de zon, mijn lichaam wat meer in de natuur is groot(s). Een uitzicht van weidsheid wil ik. Een tempo waarop je kan deinen. Al weet ik dat er geen plek is die me van de eenzaamheid kan wegvoeren. Maar misschien wil ik dat ook niet meer. Eenzaamheid is soms goed. Zoals pijn soms ook deugd kan doen. Ik hou het voor nu op de wereld zien, in elke mens die ik tegenkom.
